Van stadshaven naar Maasvlakte: drie verplaatsingen van de Rotterdamse haven

Wie zegt dat de haven van Rotterdam is gegroeid, heeft gelijk op een manier die niets uitlegt. De haven is verplaatst. Eerst lagen de bekkens in de stad, daarna werden zij te klein voor de schepen die de Nieuwe Waterweg binnenliet, en ten slotte lag het werk op land dat in zee was gelegd. Dit artikel van KennisNL Maritieme Historie zet die drie verplaatsingen achter elkaar, zodat u ze kunt gebruiken in een reader of een les. De bijbehorende module is Havenhistorie; de zeewaartse laatste stap staat apart in Maasvlakte.

Vrachtschip op de Nieuwe Waterweg onderweg van Rotterdam naar de Noordzee bij bewolkt licht
De Waterweg is de scharnier tussen de stadshavens en alles wat daarna zeewaarts werd aangelegd.

De eerste ligging kent u wanneer u door de binnenstad loopt. Oude Haven, Leuvehaven, Wijnhaven en Scheepmakershaven zijn stadshavens: het schip kwam de stad in. Delfshaven hoorde daarbij als voorhaven van Delft, niet als voorloper van een containerterminal. Die havens pasten bij zeilvaart en vroege stoom, bij stukgoed dat met mensenhanden van boord ging, en bij een stad die haar kade nog kon ruiken. Zij pasten niet bij de diepgang die aan het eind van de negentiende eeuw normaal werd.

De tweede verplaatsing begint bij Pieter Caland. Vanaf 1866 werd een vaarweg door de duinen van Hoek van Holland gegraven; in 1872 konden schepen de Nieuwe Waterweg gebruiken. Het punt dat in jubileumteksten vaak wegvalt: de geul slibde aan en moest worden gebaggerd. Rotterdam kreeg geen eeuwige natuurlijke diepte cadeau. De stad kreeg een onderhoudstaak. Op die taak volgden nieuwe bekkens buiten de middeleeuwse vesten. De Waalhaven, een kunstmatig bekken uit de vroege twintigste eeuw, hoort bij die tweede ligging: niet meer een gracht in de stad, nog wel gegraven in bestaand land. Botlek en Europoort trokken na de oorlog de olie en de bulk naar de monding, omdat tankers de oudere kades niet meer in konden.

De derde verplaatsing is landaanwinning. De eerste Maasvlakte gaf in de jaren zeventig ruimte aan een schaal die een rivierbekken niet bood: lange kraanbanen, opslag, diep water aan de zeezijde. Maasvlakte 2, in aanleg vanaf 2008 en in gebruik vanaf 2013, herhaalde die beweging toen ook die vlakte vol raakte. Tegelijk kwam de stadshaven leeg te staan voor ander gebruik. De Wilhelminakade verloor de passagierslijn. Kop van Zuid kon wonen worden. De Erasmusbrug koppelde in 1996 een voormalig havenland aan het centrum. Wie de derde verplaatsing viert zonder de leegte in de stad te noemen, schrijft een halve geschiedenis.

Voor de praktijk van een leerlijn betekent dit: kies één bekken en benoem welke van de drie liggingen het is. Een foto van de Leuvehaven is ligging één. Een luchtfoto van Europoort is ligging twee naar drie. Een kraanbaan op de Maasvlakte is ligging drie. Mengen mag, maar alleen nadat u het onderscheid hebt gemaakt. Superlatieven — grootste, diepste, eerste — bewaart u tot u de maat en het jaar hebt. Zonder die twee is de zin een brochure.

Bram Hermans gebruikt deze driedeling als opening van de havenmodule, juist omdat zij in één middag te tekenen is. U hebt er een huidige kaart en een kaart van rond 1900 voor nodig, plus de bereidheid om „de haven” een bijeenkomst lang niet als één plek te behandelen. Dat is de hele methode. De rest is bronnenwerk.